News

jul 1, 2017
Categorie: General
Ingezonden door: cor

Cafe de Waal nu ook op Facebook!

 

jun 1, 2017
Categorie: General
Ingezonden door: admin

cafe_deWaal - ##- ##
 

Gewoon Peter

Barbarella/Non-Barbarella

Door Peter Joore 1 maart 2017

De afspraak is in Café Wildschut en ik ben ruim op tijd. De weg naar Amsterdam, vaak geplaveid met ongelukken en filevorming, valt mij dit keer mee. Op tafel (waaromheen zwart Chesterfield) koffie, een kladblok en een camera. Mijn rood-met-zwarte vulpen in mijn donkerpaars colbert van Hollandse snit; daar komt niemand anders aan.

    Hoe zal fotografe Cleo zijn? Ik ken haar van wat beelden op tv. Een documentaire over haar schrijvende vader, die ik onlangs heb gezien. Ik denk dat de pomme artistique niet ver van de arbre valt. Zijn geschrijf vurrukkelluk zien haar foto’s er sfeervol uit. Leve de moderne media.
    Zal ze aardig zijn. En toegankelijk. Of is ze op haar hoede, omdat het uiteindelijk toch weer om haar vader gaat. Ik zal haar geruststellen. Maar hoe. Ik kan me niks bedenken. Laat Cleo nu maar komen. Ik ben het zwijgen zat.

Dan stapt er een dame binnen. Stevig ingepakt tegen vriezend weer zou het Cleo kunnen zijn. Ze loopt mijn kant op, geeft een hand en trekt haar jas uit. Klassieke kleding; het verrassend modebeeld. Zouden ‘klassiek’ en ‘klasse’ taalkundig met elkaar verbonden zijn? Ik moet naar haar opa vragen. En naar Het Lied ‘De Achttien Dooden.’
    “Cleo! Hier ben ik.”
Een tafel verder rinkelt een telefoon.
    “Hi, Peter,” zeg ik snel.
Inleidende woorden, bedoeld om elkaar innerlijk te ontdooien. Wat beter te leren kennen. Zij zegt de uitnodiging binnen te hebben voor de uitreiking van de Geuzenpenning. Hjalmar heeft zijn werk gedaan.

    “Raar zeker, dat je je opa nooit hebt gekend. Wat weet je nu van hem?”
    “Dat wat oma en mijn vader hebben verteld. En er is een boek uit. Een biografie over Jan Campert. Dat schept een voller beeld en vult aan op wat ik reeds ten dele wist.”
Cleo is trots op haar beroemde opa. Een avonturier die, om zijn lusten en ongedurigheid te betalen, employee was bij de Twentsche Bank. We kijken (schouder-aan-schouder) naar een foto in zwartwit van een knappe jongeman met pet en bril met ronde glazen. Sigaret achteloos links in de mond kijkt hij voor ons naar rechts; opzij. Van zijn lange (duffelse) jas staat de kraag op in de nek. Daaronder een overhemd met kundig gestrikte das. Een playboy avant la lettre?

Er volgen twee kopjes cappuccino. Ik neem haar suiker en we  roeren zwijgend tot de schuimlaag is ingezakt en bruin als de koffie. Café Wildschut is nu bijna vol. Het is lunchtijd. Cleo proeft mijn vragen. Ik kauw bedachtzaam op haar antwoorden. Die bestaan uit mooie zinnen. Ik noteer en denk er beelden bij.
    We verweven opa Jan en zijn ‘Achttien Dooden’ tussen onze vraagtekens door. Langzaam ontstaat een fraai en kleurrijk tapijt. Een palet van feit en fictie... veronderstellen wij. Twee uur kout hebben hem, de schrijver, journalist en verzetsman weer een stukje tot leven gewekt. De man is nu vrijwel vlees en bloed (voor mij, bij Cleo was hij dat al). Ik zie hem als ik zacht de ogen sluit.

    “Kom laten we nog wat foto’s maken op het terras,” zeg ik, “want de vrieskou wacht op ons.” Ik steek een Zware van de Weduwe aan. Cleo bibbert aan mijn zij. Het lijkt alsof zij ‘Achttien Dooden’ sterft.

Barbarella/Non-Barbarella

Door Peter Joore 1 december 2016

Ik zat op het terras van dit etablissement. Naast mij een vrouw waarvan er liefst veertien in een dozijn gaan. Zo saai had ik iemand nog nimmer meegemaakt. En dat voor een uiterlijke extravaganza. Die zijn meest de moeite van het bekijken, beluisteren, betasten en een praatje waard. Maar niet deze voluptueuze vamp van het type Barbarella. Zij vormde de spreekwoordelijke uitzondering.

Haar lichaam vertoonde (grove schatting) maten die je vroeger trof in zwart-wit films. Denk aan een Dita von Teese of een Tura Santana uit de Russ Meyer films en droom je dromen. Nat of droog en onvoorspelbaar als het Hollandse weer een traktatie. En haar gezicht? Spectaculair als Gina Lollobrigida in haar meest fantastische jaren.

Nadat ik enigszins tot mezelf was gekomen verzon ik koortsachtig een openingszin die alle anderen zou doen verbleken en tot stof vergaan. Ik kwam tot: “Zullen we ...!” Het was geen vraag, klonk ook niet zo en bedoeld tot directe actie. Voor je het wist zou er immers een ander bij komen zitten en was mijn kans verkeken.

“Hou op, engerd,” sprak zij (die hemelse combinatie van nectar en ambrozijn) met ruwe stem, een havenarbeider 1.0 (toen jute balen nog 50 kilo wogen en met het handje werden geladen en gelost) waardig. Ik tuimelde pardoes uit mijn Super Erotische Hiernumaals. Mijn ego kromp als het geslacht van Paul de Leeuw als hij naast dezelfde vleesgeworden bonk had gebivakkeerd. Wat nu?

“Zullen we ...,” hier liet ik nu bewust een pauze vallen, “een drankje drinken? Op mijn kosten. Ik betaal en jij vertelt wat over jezelf.” “Ben me daar gek geworden.” Ze leek nu zelfs nijdig en keek me donker aan. Haar stem deed wel erg mannelijk aan. Een tikje té. Zelfs voor een zwoele mannenverslindster uit vroeger tijden, toen er nog geen Dolby Surround was en de trent mono, was dit wel erg basso profundo.

Voor alle duidelijkheid: zij droeg een doorkijkjurk van zwart gaas waarmee het slecht vissen was. Haar vormen volop etalerend. Twijfel rees (die stem, dat lichaam) en ik besloot tot nadere analyse. Ik zat hier nu toch op dit stille terras, Café de Waal onwaardig.

“Nou eentje dan,” baste ze (profundo) met iets wat op een glimlach leek. Dienster Kelsey (zelf ook zo’n type) bracht ons fluks een Jupiler en een whisky. Ze keek jaloers, ze leek jaloers. “Proost,” proostte Barbarella. “Wil je nu met me praten?” vroeg ik. Dat wilde ze. Haar groene ogen schitterden. God wat was ze mooi. Ze leek me ook best lief. Maar ja, die stem.

Ze vertelde dat ze communicatief-econometriste was. Ze zei (met haar mond vlakbij mijn oor, ik voelde haar warme adem opwindend door mijn steeds wulpser krioelende buis van Eustachius ruisen): “In volledig communicatiegeoriënteerde informatiemodellering geldt de regel dat er in een existentie postulerende feittype-expressie voor zeker objecttype geen object-type expressie voor hetzelfde objecttype mag voorkomen.”

Lees nu gerust de eerste alinea nog een keer.

Peter Vink (Q65): een vreemde bastaard!

Door Peter Joore 1 september 2016

Over bassisten gesproken. Misselijk van de autorit kom ik aan in de Bilt. Epicentrum van gebakken lucht en andere weertypes. Ik realiseer me dat ik zo binnenstap bij een baslegende. Haags straatschoffie Peter Vink, officieel gepensioneerd, oogt als een jonge bink aan het begin van zijn carrière.

Ik heb tijdens momenten van relatieve spraakwatervalrust amper de tijd een vraag te stellen. Gelukkig mag je ten huize van de familie Vink ongestoord paffen en tijdens het draaien van een Zware van de Weduwe schenkt Peter een koude Coca Cola in. Die staat vervolgens warm te worden. Van drinken kan geen sprake zijn.

Ik wrijf regelmatig de tranen (van het lachen) uit mijn ogen. Ben blij dat ik geen goedkope mascara gebruik. Mijn gezicht zou zwart zijn als mijn kleding. Een voorbeeld: “We hadden vroeger bij de Kjoe een gehaaide manager. Een dief en een oplichter. Maar goed. Als we in het weekeinde, wat overigens weinig voor kwam, een keer geen optreden hadden, belde hij (wiens naam ik niet zal noemen) rustig een Haags kroegie op, waarvan hij wist dat er die avond een optreden was.

Zei hij dat de geboekte band die avond niet kon vanwege stemproblemen van de zanger. Liet even een stilte vallen om de boodschap goed over te laten komen en de ellende te laten groeien. Vroeg de eigenaar (met groeiende paniek): ‘Maar, weet je niemand anders?’ ‘Bel je zo terug. Even de agenda nakijken.’ Dat deed hij en zei: ‘Ik heb Q 65 voor je.’ Eigenaar blij en opgelucht en wij een optreden rijker. Daarna belde hij de andere band en zei dat het optreden van die avond was gecanceld om die-endie reden. Zo’n boef, dat was onze manager.”

Na het naarstig vullen van twee A-viertjes droogt de verhalenstroom enigszins op. Tijd om even naar boven te gaan. Naar het Heilige der Heiligen: zijn studio en oefenhok. “Spelen moet je elke dag!” Daar aangekomen blijken de verhalen nog niet op. Ik besluit ze te onthouden.

“Jij speelt toch ook?” vraagt hij oprecht geïnteresseerd. “Ja,” zeg ik schoorvoetend. “Hier pak aan,” en voor ik het weet heb ik een bas in mijn handen. Ongeveer zoals Paul de Leeuw met een naakte vrouw zou zitten: onwennig. “Speel eens wat.” Ik doe het en probeer een
riffje. “Hou je duim wat meer tegenover je hand en je elleboog naar buiten.” Ook dit doe ik. Het gaat al wat makkelijker. “Ken je een liedje?” Ik speel Money van Pink Floyd. Houterig, maar herkenbaar. Hij pakt ook een bas en even later spelen we als twee oude vrienden. Tumtiediedum. Pam pampam pam pam. Tumdiedum. “Roger Waters kan wel inpakken,” lacht Peter Vink. Mijn zelfvertrouwen groeit. Ik doe iets van King Crimson. Het begin van One More Red Nightmare. Zijn wenkbrauwen gaan omhoog: “Je bent een rare. Weet van geen simpel bluesje, maar gaat gelijk aan die complexe shit. Geen wonder dat je niet ver komt. Dat je niet gelijk aan Jaco Pastorius begint!”

Ik speel (langzaam) een riffje van Donna Lee van Charlie Parker. Hij schudt zijn hoofd en zegt: “Kom we gaan weer naar beneden.” Bij het afscheid is hij nog niet uitgelachen, maar mijn misselijkheid is verdwenen als sneeuw voor de Biltse zon.

6 ½ jaar Normaal met Jan “Solo”

Door Peter Joore 1 juni 2016

Resoluut stuur ik de zilvergrijze Mercedes-station door de polders tussen weilanden met roetkleurige uitlaatgassen, puberale bomen, andere auto’s en ANWB-borden waarop GRONINGEN (in grotere letter dan Joure en Lemmer) de bovenste duiding is. Jan “Solo” de Ligt, sinds 2003 saxofonist bij boer’n dialectpopband Normaal, en ik zijn op weg naar Leek voor wat een van de laatste optredens wordt. Na 40-jaar is de gier op en het bier verschraalt.

Kalm reageer ik op het andere verkeer. Tijd zat en bekeuringen onnodig. Jan trekt blij een blikje Hertog open. Het is vier uur. Ik concentreer me op vangrails en ontwijk tunnelvisie.
Als we een auto passeren loeren we steevast, bij lange en weelderige lokken, opzij. “Een lekkere chick gemist, is alsof je op je schoenen pist,” luidt ons adagium.

Bij Swifterbant halen we een spierwitte Deense vrachtwagencombinatie in. ESBJERG GODS staat achterop. ‘Goeie naam voor een band,’ zeg ik. Dan een trailer met een rode -t-. ‘Kijk, de Tielbeke Brothers,’ lacht Jan. Tot slot dieselen we een modderige DB Schenker voorbij. ‘Michael, heeft ook beter tijden gekend!’ menen we alletwee.

In de buurt van Groningen-stad de TomTom aan. We zijn bijna bij Leek en waarom zoeken als de techniek je vriend is. We parkeren bij het lokale Sportcentrum. Het is nog rustig. We zijn, op de crew na, de eersten. Naast ons tractoren en een buitenformaat grasmaaier. In een veldje wroet een zevental varkens. ‘Lekker publiek hebben ze hier,’ zeg ik. Jan kijkt naar de modderroze moeder met zes tepellurkers.

‘Zo,’ roept hij. ‘Stel je voor dat daar bier in zit! Ik zou nooit op mezelf gaan wonen.’ De technische jongens hebben apparatuur en instrumentarium op het podium staan. Handen worden geschud. Een schouderbeuk van Pattu. De glimlach van merchandiser Edwin Blaauwwiekel.

Een high five van collega-chauffeur Johan Schutte. Ik zie de Grote Vriendelijke Reus, bassist Willem Terhorst. Dan manager Ronnie D. met in zijn kielzog Bennie Jolink. Jan-Wilm Tolkamp en Roel Spanjers arriveren ook. Enkel de twee Belgen nog (altijd op zoek naar een lekker stukje lokaal en willig vlees): Peter Delannoye en Joppe Bestevaar. Dan is de ploeg compleet.

Bij de rand van het podium gluren naar het publiek, dat net zo hard teruggluurt. Een legertje vrijwilligers plaatst hekken en bier-, braadworst- en hamburgerstandjes. Deernen die kirren, de gsm fotografisch paraat, als net gevangen bakvissen. Borsten pront en rokken kort, zodat je een vergeten schaamhaar ziet.

Vroeger allemaal een sensatie als ze na afloop in de kleedkamer hun natte kunstje deden, telt Wimken nu meer dan een dozijn verlepte tepels ter hoogte van de riem. Halverwege laat de stroom Normaal in de steek. Heikikowokan wordt minutenlang door talloze fans a-capella meegezongen. ‘Die zijn niet zo snel van hun stuk te krijg’n, hier.’ Boer Jan, uit de buurt van Emmen, grijnst. Hij heeft het wel gekker meegemaakt. Ik heb kippenvel.

Tegen het eind van het optreden de Ballade van de Muzikant. Gevoelig muzikale erfenis van overleden oud-drummer Jan Manschot. Een ovatie en Berdy Buunk pinkt een traan.

Godin met Gouden Vulpen

Door Peter Joore 1 maart 2016

Ik was op een druilerige middag in Amsterdam. In een fabriek voor filmstudenten. Ik had de uitnodiging een persbijeenkomst bij te wonen. De voorstelling van de cast van de film STUK! Met Steven de Jong als regisseur. Hij, die Sietse en Hielke van de Kameleon gestalte gaf. Hoewel mijn eerste film als persmuskiet, kwam ik enkel en alleen voor Yolanthe Cabau van Kasbergen. Zij speelde een rolletje als inspecteur en ik wilde best door haar in de boeien geslagen worden. Beetje kinky, altijd lekker. Streng, maar rechtvaardig

Maar wie ik ook zag: Pleuni Touw (dat had best een paar decennia eerder gemogen), Hugo Metsers III en acteurs en actrices van het bedenkelijk GTST of nog minder niveau. En natuurlijk schrijfster Judith Visser zelf. Yolanthe was afwezig en dat leek jammer.

Ik had Judith nooit levend gezien. Kende wel wat foto’s, Maar dacht: “Ach, op internet circuleren aansprekende toevalstreffers of de schoonheid van voorbije jaren.” Dat bleek fout. Al tijdens de voorstelronde werd ik week van haar hand. En dan die zwoele oogopslag, die maakte mij hemels en euforisch.
Ze was charmant, lief, onderhoudend, grappig en getrouwd. Die eerste vier? Daar kon ik best mee leven. Dat vijfde element was vette pech. Als ik haar uiterlijk beschrijf (engelachtig gezicht, omgord met meterslang ravenzwart haar, verder omlaag ...) doe ik haar tekort. Ernstig tekort.

In onze samenspraak sprak zij van haar Grote Gouden Vulpen. Voor haar geen toetsenbord. Zelfs de mechanische typemachine kwam niet in haar leven voor. Ze was van het ouderwetse soort: schrijven met een pen, gevuld met inkt. En als haar verhaal klaar was, zocht ze iemand bij de uitgeverij. Die moest dat freaky getik en getyp maar doen. Daar vond ze niks aan. “Het heet toch schrijven!” zei ze met een glimlach, die garanties bood voor wereldvrede.

Ik verzon de vragen en Judith antwoordde alsof alle orale banaliteiten nieuw waren.
Het werd een gezellig half uur. Yolanthe was nu geheel uit mijn systeem. Dat zij bij Wesley Sneijder zat, dat vond ik prima en ze mocht daar nu eeuwig blijven.
Gespannen en met driftige rechterhand, die haar goedkeuring wegdragen kon, pende ik ons kort verslag. Erop gericht straks thuis een verhaal te schrijven dat niet alleen lezers in vuur en vlam zetten zou. Ik droom nog altijd van haar en ik weet zeker dat onze paden weer kruisen gaan. Zij is mijn ideaalbeeld van de moderne schrijfster. Niet dat ik iets tegen Annie M.G. heb met haar verrekijkerbril. Maar Judith past toch iets meer bij mij.

Het is niet dat ik van Judith niet in slaap kan komen. Ik slaap fantastisch met haar op mijn netvlies en in mijn hersenen geperst. Soms vraag ik me af hoe het zou zijn als ze een keertje naast me liggen zou. Zou ze voelen en ruiken als mijn vrouw? Die prettige geborgenheid van ons samenzijn. Ik weet het best. Het zal wel een van die dromen zijn, die gebaseerd is op bedrog. Ik vraag me stiekem af of zij nu hetzelfde denkt.

En Yolanthe? Die is mama en denkelijk wat baarmoederlijk uitgezakt. Ik denk nogmaals aan Judith en haar engelachtige uitstraling. Zij is en blijft een onaanraakbaar ideaal. En dat is maar beter ook! Voor alle partijen ...?

Bassie, Adriaan & Peter

Door Peter Joore 1 december 2015

Wie aan Vlaardingen denkt, denkt niet direct aan bruisend groen. De stad is de som van
grauwgrijs beton, slordig neergekwakt in eens weldadige natuur. Wie wel kleur geven
aan de Schelvisenclave zijn Bassie & Adriaan. De tweede helft van de vorige eeuw tot
op de dag van vandaag, een illuster duo. Eerst balancerend op tafels en stoelen in een
nog altijd niet geëvenaarde act als de Crocksons, volgde vrijwel direct het olijke koppel
Bassie & Adriaan.

In Vlaardingen verguisd. Voornamelijk door mensen die het niet weten en het hebben gehoord van iemand anders. Bassie is een kinderhater en Adriaan de broer van Bassie, dus heeft hij pech. Dat is die veelgehoorde, maar amper gestaafde mare, die gaat in dit dorp. Ik heb ze de laatste maanden wat beter leren kennen. Bassie vanwege zijn kritische en openhartige columns in De Vlaardinger en Adriaan omdat het nu eenmaal de broer is van Bassie. We visiteren allemaal Barbershop London Line. Zij wat vaker dan ik. Voorts deelde ik met Bassie in Maassluis de Mr. Blomschool. Hij iets eerder dan ik.

De heren zijn nu op leeftijd en juist gestopt als werkzoekenden. Ik volg over een aantal jaren. Schrijf nog even door tot de handen bibberend over de toetsen dwalen. Bassie is 80 en Adriaan 72. Als er één broederpaar is dat Vlaardingen op de kaart heeft gezet, dan zijn zij het wel. Want zeg nu zelf: Bassie & Adriaan: wie is er niet groot mee geworden! Van Clown Bassie wordt gezegd dat hij een kinderen haat. Uitlatingen uit de mond van ouders, die soms privé veel tijd van hem eisen. “Fotootje Bassie!” Daar heeft Bas van Toor niet altijd tijd voor en Adriaan net zo min, maar die woont lekker in Spanje. Bassie & Adriaan in een notendop: ze hebben met veelbekenen programma’s De avonturen van ...vrijwel ieder hoekje en gaatje van de stad laten zien aan Nederland. Kom daar maar eens om bij ons bestuurlijk gilde. Met hun rondreizende circustent hebben ze mensen een baan en dus een inkomen bezorgd.

Je kunt Bassie & Adriaan zien als onbezoldigde ambassadeurs van Vlaardingen. “Onbezoldigd?” Ik hoor het u al roepen. Liefst verontwaardigd.  “Ja,” zeg ik dan: “Onbezoldigd!” Want heeft het u ooit een cent gekost, die stadspromotie? Zelfs niet als verstopte post op de gemeentebegroting. Generaties zijn er mee opgegroeid en laatst, bij hun finale huzarenstukje, de film Keet & Koen: De speurtoch naar Bassie & Adriaan, zat de Utrechtse zaal vol enthousiaste ouders en meelevende kinderen. “Je moet wel in gedachten de korte broek aan trekken, want het is een kinderfilm,” aldus Bassie. De kritieken waren matig. Filmrecensenten hebben kennelijk geen korte broek en fantasie.

Bassie & Adriaan is een belangrijk hoofdstuk in een, zeker in het verleden, industriële stinkstad zonder elan. Waar grauw en grof de maat bepaalden. Nu is het tijd Bassie & Adriaan te eren. Dat kan met een standbeeld in ’t Hof of op het Veerplein. Misschien met eigen afdeling in Museum Vlaardingen. Mogelijk dat Leo Fontijne, van Distilleerderij van Toor (!) een drankje voor de heren brouwt. En dan noemen we dat: Beerenburg & Advocaat!

 

Mario Goossens en het l’Entrepôt du Congo
Door Peter Joore 1 september 2015

Eerder die donderdagochtend stond er een file bij Kleine Barreel. Op de drukke E19 van Rotterdam naar Antwerpen een kilometerslang blikken lint, geduldig wachtend in een lange rij. Een enkeling sloeg woest zijn stuur in stukken. De zon scheen en het beloofde een mooie dag te worden. Ik was op weg naar l’Entrepôt du Congo aan de Vlaamse Kaai 42 in Antwerpen. Daar zou ik aanstonds een interview hebben met Mario Goossens. Drummer van Triggerfinger. Doordat er vlak bij Het Steen een gebouw stond met dezelfde naam, parkeerde ik daar op de verkeerde plek. Het bleek een oud entrepotgebouw. Op zich niet fout. Maar bevatte geen horeca, noch de door mij bewonderde drummer.

Een tweetal tandeloze - wat de verstaanbaarheid niet ten goede kwam – lokalen hielp me op weg. Ik zat minder ver uit de buurt, dan Pheidippides indertijd, die nog 42.195 kilometer moest, alvorens ter plekke aan te komen. ‘Een kwartierke menneke,’ lachten de twee jeugdigen van ooit. Je zag ze denken: ‘Dien domme Ollanders! Ze leren het nooit.’

Later dan gepland, maar ruim op tijd om het schema van Mario Goossens althans voor die dag door de war te gooien, kwam ik aanl’Entrepôt du Congo bleek een klein model  Grand Café. Direct links naast de deur zat een keurige slagerszoon. Compleet met brilletje. Ik keek rond. Het moest hem zijn. Meer mannen waren er niet. Het mooie weer ten spijt was het buiten ook niet al te druk.

We spraken over Triggerfinger en wat ze bewoog. Hoe ze reageerden op hun almaar groeiende succes, de verre trips en de oude bus waarin ze zich nog steeds met crew en equipment verplaatsten. Mario bleek een innemend causeur zonder overdijving. Was dit nu die almaar uit zijn zwetende schedel drummende slagman, die op het podium bijkans zijn ketels tot puinbakken sloeg? Zat ik tegenover dr. Jekyll of was het mr. Hyde!

De een (dr. Jekyll) omschreven als afstotend, misvormd, maar de zonneschijn zelve. De ander als iemand die afkeer oproept: de indruk maakt mismaakt te zijn en de donkere kant van het leven vertegenwoordigt. Zit ik met twee mensen tegelijk aan tafel? Kalm en bedaard en geen haar anders, dan om het even wie ik juist passeerde op mijn transpiratie opwekkende Odyssee naar het juiste Congo, geeft Mario Goossens antwoord op mijn vragen, die stuk voor stuk afkomstig lijken uit de derde druk van het boek Interviewen in de Praktijk van lokaal journalistiek nestor Dick van der Lugt.

We drinken koffie met een watertje. Naast ons is een club meiskes aangeschoven. Geslaagd. Niet nog in het leven. Wel op middelbare school. Het is een vrolijke troep. Niemand die Mario lastig valt. Herkennen zij hem eigenlijk wel! Plots vraagt een der deernen of hij een foto van de losgeslagen bende rokjes maken wil. Hij glimlacht en drukt driemaal af. Ik vraag: ‘Normaal zal het omgekeerd zijn. Dat mensen met u op de kiek willen.’ Hij lacht en knikt amper waarneembaar van ja.

Als even later (het interview is ten einde) ik aan het meiske, dat Mario vroeg een kiek van de olijke club te maken, vraag of zij een tweetal foto’s van ons maken wil, doet zij dit zonder protest. Ik zeg dan: ‘Volgens mij heeft ze geen idee wie ze nu fotografeert.’ Waarop hij zegt: ‘Dat zal best. Ik kende u ook niet echt.’

Martin van Waardenberg
Film is aangename (k)Waal!

Rotterdammer en films met lach en traan.
Marathon en Kidnep maken Nederlandse film volwassen
De Kale Nel? Dat ben ik!

Waardenberg & De Jong onderbraken 25 jaar carrière als podiumplankenneukers, omdat alle fileleed, driemaal per week, de lol uit het optreden haalde. Bandkaai (1996) heet de laatste gezamenlijke absurdistische theatershow. ‘Wegen zijn er om op te rijden,’ niet om op stil te staan. Dat zijn parkeerplaatsen.’ Martin van Waardenberg onderbreekt een Aquarius rücksichloss voor een Jupiler. ‘Spraakwaterval uit België. Hebbie nodig bij een interview!’

Hun loopbaan nu twee losse routes - nog altijd lichtjes toucherend. Maar nooit professioneel. Wilfried de Jong zocht en vond sport en cultuur. Martin van Waardenberg ging naar Loenatik, bizarre tv (Camping Pe(r)nis), wat andere zaken en – vooral en gelukkig maar – de film.

Zittend op zijn Zuid-Spaanse terras, met een almaar opduikend alcoholarm delirium, creatief en koortsgevend, ontvluchten de ideeën zijn grijze massa en komen op digitaal papier tot rust. Dat heet schrijven: scenario’s en dialogen. Regel voor regel ontvouwt zich een nieuw plan voor hitsige kijkers, die het op zijn Wim T. Schippersachtige verhalen met Monty Pythonesque inslag hebben voorzien.

Ik spreek hem soms na veel zeuren op een terras. Of in een hal na wat voetbal met een dak. Altijd is hij bezig. Met de snelheid van de grote stad. Hij is Rotterdammert in hart-ennieren. Maar trekt zijn neus niet op voor 020. Haalt daar zelfs zijn humorvolle gram. Wie de Marathon beziet, zou zich stillekens kunnen schamen voor alle doorgaans zelfbeperkende voetbalidiotie.

Jupiler om de mond
tijdens interviews open te houden
en de vaart erin

Soms is hij hier; in Café de Waal. Drinkend en lachend met Vlaardingse vrienden. Vaker deelt hij het terras bij het Westerpaviljoen, met wie hem lief is. ‘Dichter bij huis ook,’ luidt zijn filosofisch commentaar. ‘Je neemt soms een biertje en dan gaat rijden niet meer. Mag ook niet, hè.’

Ik heb op het punt gestaan zijn werk af te doen als: “Martin van Waardenberg: Havenarbeider op toneel.” Maar doe hem hiermee flink te kort. Hij bracht met de Marathon het niveau van de Nederlandse film in 42 kilometer en 195 meter van niveau Pinkeltje op dat van Lange Jan. Blijkt dat Holland kan acteren, emotioneren en meerdere lagen vervlechten zonder gekunsteldheid. Het leven vanaf celluloid.

Om een fenomeen te worden is hij hard op weg. Acteren, schrijven, regisseren – er gaat aan Martin van Waardenberg weinig verloren. In het najaar bij Powned, o.l.v. een andere Rotterdammert, de in ambtelijk Den Haag gehate interviewer Rutger Castricum, De Kale Nel. Denk aan bizar, voel als coquette, naai jezelf een oor aan, haat je buren, hou van gore nachtclubs, geil op kale wijven die Nel heten en kanker hebben of zet je tv dit najaar op een andere zender. Martin van Waardenberg is uitgesproken. Neemt liefst geen blad voor de mond. Denkt krom. Houdt van humor met Britse inslag. “En is van de aanwezige,” zou wijlen Klukkluk zeggen.

Zijn ideeën rijkelijk. Daar is vooralsnog geen eind aan. Scenario’s strijden om voorrang in zijn perfide, absurdistische geest tot het keyboard kokhalst en van letters woorden braakt. Dan, als de waanzin dreigt te ontsporen, is er dat verhaal dat in bioscoop of op tv, de geest prettig scherpt en masseert als de zachte handen van een zalig wijf.


Cesar Zuiderwijk: ‘Honger en Dorst in Vlaardingen en Den Haag!

Door Peter Joore 1 maart 2015

Toen de Stadsgehoorzaal op een dag in 2010 voorstelde Cesar Zuiderwijk te interviewen in Den Haag om zijn solo-optreden van verse Vlaardingse jus te voorzien, gaf ik een lange blonde dame, die nu denkelijk aan de vooravond van haar theaterafscheid staat, een stevige hand en een gemeende lange Franse kus, dat zelfs Sandra Bruinsma er van moest blozen. ‘Dat is leuk voor jou en voor mij,’ zei de directeur toen nog vol toekomstplannen. Of bedoelde ze de kusparade?

Ik zit nog steeds een beetje in mijn maag met die keer dat ik van Cesar Zuiderwijk in Den Haag bij Van Kleef Jenevers & Likeuren een fles Ouwe Jonge graanjenever kreeg. Ik, arme sukkel, woon in de stad van Van Toor’s Moutwijn, die continu een jolige aanslag pleegt op de smaakpapillen, en ik heb ‘Krijgt nouw de teeering! Daar heb je beste drummert van Nederland!! Zomaar hier in het wild!!!’ de drummer van Golden Earring nog nooit een fles uit de Schelvisenclave gegeven. Dat geeft me een gevoel van gedeeld Schots-Nederlandse zuinigheid waar ik niet trots op ben.

Ik had zin bij Leo Fontijne een fles uit het schap te rukken en met een bloedgang naar ’s Gravenhage te scheuren om Cesar daar te trakteren op een liter vloeibaar cadeau. Gewoon, tegen hem zeggen: ‘Hier, voor jou. Omdat je zo een toffe gozer ben.’ Hem de fles overhandigen en die dan samen ontmaagden. En dan ettelijke glaasjes later met een knalrode harses samen diepzinnige gesprekken voeren, zonder kop of staart, om tot slot onder de doorzichtige dope op topsnelheid over zijn drumstel te jakkeren met een paar kromme sticks en ... hem de ultieme roffel te schenken: in te ruilen voor een halve liter vriendschap de man.

Maar die gedurfde bevlieging was slechts van korte duur. Het raakte kant en ook geen wal die nietsvermoedende drummer kotsend over de toiletpot te jagen. Daarbij was ik ook nog iets van plan met een tweede fles van een ander merk. Rogge Jenever of zo. Ik wist dat Leo Fontijne en Louis Centazzo drinkebroeders waren. Hedendaagse druïdes. Gifmengers met smaak en gevoel voor papillen en sfeer. Ik verlangde naar de zomer. Als de zon de tuin van Van Kleef verwarmde en de jenever ijskoud in beslagen glazen tussen ons in, op de onverbiddelijke eindbestemming wachtte. Misschien een magnifieke hap erbij uit de Haagse Keuken: een definitief getemd konijn met ovenvers warm brood. Of iets uit het land van de laars. Geëscorteerd door een jenevertje per genoten gang. En dan niet meer weten waar je huis woont.

‘Oké, lamzak. Gierige journalist! Als je te bescheten bent nog geen € 40,- uit te geven voor een onvergetelijke dag en avond en ... wie weet ... zal ik je eens flink op je kloten geven en schop ik je uit je slangeleren laarzen zo richting kassa.’ Ik hoor het Cesar brullen.

Hoe vaak dit idee al niet in me is opgekomen? Ontelbare malen. Om die Cesar eens te bedanken voor zijn gezelligheid rond alle interviews. En dat zijn er zo al best wel wat. En voor zijn ritmische stokslagen. Sommige beesten slepen zich naar een stil plekje om daar te sterven; drummers en journalisten slaan er maar een vochtige slag naar en sterven nooit helemaal!

Fotografie: Tino Snelleman

 

King of the Waal versus Bo

Door Peter Joore

Al snel maakte King of the World naam. Johan Derksen bood hen een podium in aflevering acht van zijn programma On The Road, omdat de muziek een eeuw oud was en de band nieuw, kortom, een topband; blueslegendes in de dop. KOTW heeft muzikaal een grijze kop met haar van de cracks Erwin Java van Cuby en Brood en van Fokke de Jong - drummer van Normaal - en met twee op dit gebied luierplichtigen: Govert van der Kolm en Ruud Weber.

‘Goeiendag, jongens,’ zeiden fotografe Bo en ik in de Zoetermeerse Boerderij. ‘Ik kom jullie interviewen en zij maakt er toffe foto’s bij. ‘Jazeker,’ zei Fokke, die ik nog kende omdat vriend Jan de Ligt in Normaal de sax beroerde ‘wij zijn hier om fantastische verhalen over het muzikantenleven en speciaaltjes van KOTW te vertellen. ‘Prima,’ zei ik, ‘laten we gaan zitten en we nemen er gelijk een pilsje bij, want het is nog best warm buiten.’

‘Nou, als ik dan de waarheid maar geen geweld aandoe,’ lachte Ruud, die voor het eerst zonder begeleiding buiten mocht. ‘Dan doe ik de belangrijkste opmerkingen wel,’ zei Fokke. ‘Erwin is toch aan het soundchecken en nu kan ik eens lekker mijn gang gaan.’ ‘Erwin is een groot gitarist,’ zei Fokke. ‘Dat kun je wel zeggen,’ zei Ruud van onder zijn kekke hoedje, dat muzikanten wel vaker
dragen als ze op reis zijn. ‘Erwin is echt een klasbak. Heeft ruim vijfentwintig jaar bij Cuby + Blizzards gespeeld.’ ‘En ook nog zevenhonderdendertig dagen bij Herman Brood & His Wild Romance,’ zei Fokke, die zijn huiswerk had gedaan. ‘Hij heeft meer dan vierhonderd keer opgetreden afgelopen jaar. Daar kan Jan Akkerman een puntje aan zuigen, die Volendamse sjaggerijn.’

‘Die mannen lijken niet in de gaten te hebben dat Bo al hun rimpels op de gevoelige plaat vastlegt,’ dacht ik bijna te hard op. ‘Die krijgen straks geen groupie meer de kleedkamer in. Met geen tien paarden zijn die uit hun verschoning te rukken om daarna hun maagdelijkheid aan de muzikale kapstok te hangen. Misschien dat ze op dertien december in Vlaardingen minder kritisch zijn, maar in Zoetermeer? No way! Ondanks dat het hier een boerderij is en de boerin normaal
boer & barg met plezier en routine verwisselt, blijft de vrouw des huizes haar stiel serieus nemen.’

‘Die mannen praten net zo raar als ik,’ zei Bo, wier wieg in Emmen stond. ‘Ja,’ zei Fokke, ‘ik ben ook een Drent.’ ‘Een krent, zal je bedoelen,’ zei Erwin, die het verhaal niet helemaal had meegekregen. Fokke lachte zuinigjes, maar Ruud rolde om van pure pret. ‘Jammer dat Govert de flightcase aan het repareren is,’ zei Erwin. ‘Anders had die ook eindelijk kunnen leren lachen op kosten van een ander.’ ‘Ja, zo spontaan is Govert anders niet,’ zei Fokke, die alweer over de ergste financiële schrik heen was.

Ruud pakte nog een pilsje. In het bijzijn van Erwin en Fokke wipte hij de kroonkurk er met zijn aansteker af, nam een grote slok en boerde zacht. ‘Ik vindt die fotografe wel wat,’ zwijmelde Fokke. ‘Dat is een lekker ding – jong, fris en fruitig.’ We gingen fotograferen in de grote zaal. Bo zette Erwin, Fokke, Ruud en Govert op een rij en liet ze poseren. ‘En nu Peter er nog bij,’ zei ze tot slot heel lief.

 

Wimken van Diene: Basreus!

Door Peter Joore

Toen ik op zaterdagavond 19 september in 2009 door Vlaardings saxofonist Jan de Ligt werd meegenomen naar een manege in Schijndel om voor het eerst Normaal levend en van dichtbij mee te maken; zag ik daar die stille reus. Geelgroene handdoek met rood motief om de nek. Zwarte hoed en lang haar met een staart en altijd die brandende sigaret tussen de lippen.

Wim Terhorst, bassist van Normaal, zag er zo ongeveer uit als Chief Bromden in One Flew Over the Cuckoo’s Nest; klaar om een toiletpot uit het beton te tillen. Ik deed een stapje achteruit.

Tot zover het serieuze deel.

Voor het Brabantse podium ruim 8000 dorpelingen. Allemaal zingende en schreeuwende bovenlijven. Vliegende t-shirts en bh’s. Een strakgespannen zwart net. Normaal speelt niet graag met biernatte kledingstukken in ’t gezicht. Ik keek mijn ogen uit: genoot.

Wimken van Diene. Zo genoemd omdat ‘ie met zijn ruim 1.90 alles behalve een Wimken is. En Diene was zijn moeder. Zo werkt het in de van bijnamen doordrenkte Achterhoek. Van begin af bassist bij Normaal, maakte hij – de onverstoorbare - de Engelse periode nog mee. Pompte zijn lage E staccato toen de grote doorbraak kwam van de dialectpop. ‘Oerend Hard’ klonken zijn viersnarige kanonslagen. En als een Keith Richard zingt hij Noar ’t Café als Bennie Jolink even een blaasje pikt.

Wim is de stille motor. Zijn tijd ver vooruit, is hij de schaduw van Bennie Jolink. Groter dan het origineel en wars van publiciteit is hij altijd in de buurt, maar nooit echt in het zicht.

Vroeger in Aalten was hij al bekend. Groot en onverstoorbaar. En slechts eenmaal moesten zijn grote handen roeien richting iemands hoofd. Dat zat zo. Eind jaren 70 was Normaal in Aalten. En het oude feestgebouw moest plaatsmaken voor een nieuw. Voorbereide fans namen na een duidelijk krantenstuk gereedschap mee. Je wist immers maar nooit.

Chaos aan het einde. Leidingen en wc-potten uit de muur en bergen scherven glas. Wimken zag een bekende; die werd in elkaar geslagen. Dat vond ‘ie niks en dook er tussen. Omdat het een keertje moest.
Normaal is inmiddels zo Normaal niet meer als in de begintijd. Alan Gascoigne (de Gaspiepe) en Ferdi Jolij (Frederik Puntdroad) vertrokken. Jan Manschot (Brekken Jan Schampschot) is uiteindelijk en afgelopen winter overleden. Enkel Wim en Bennie bleven. De zanger en de bas: lager zingen kun je niet.

Na die donkere avond in Brabant heb ik menig uur met Wim gedeeld. Meest zwijgend en lurkend aan een eind tabak. En we hebben meer gemeen. We drinken geen van beiden. Zie ik Wim en ziet hij mij, dan staat er altijd koffie of water tussen ons in. Zo serieus? Zo zie je ons zelden of moet het rond een optreden zijn. Daarbuiten staan we ons mannetje wel.

Ook zijn we samen van het kalme soort. Liggen mensen aan tafel plat van het lachen als Jolink  een verhaal vertelt, bij ons is de glimlach het maximale aan expressief geluid. Toch is Wim geen saaie of een politicus die almaar leugens debiteert.
Hij is Wim (of Wimken) die zijn sporen heeft verdiend met bassen. En daar soms een song bij zingt. Eentje met een tekst die pakt. Want Naor ’t Café ... als hij dat zingt ... nou, dan wil ik wel!



Mr & Mrs2 Einstein?

Door Peter Joore

Twee hijgende vrouwen om je nek in Amsterdams Café Helmers. Met grijnzende tronies en een IQ van
160 elk. Vier vragende lippen en een kleurrijke gsm. En ieder aan een kant, maar er moeten lachjes om de
lippen zijn. Anders riekt het al te zeer naar geposeerd bedrog.

Er wordt van een selfie gesproken, maar dat was vorig kwartaal. Nu heet het: massaselfie. Met twee duwende vrouwen en een bedrukte man. De man, onzeker door zijn wallen en ander loshangend ogenvel, laat zich de opdringerige oestrogene Mina’s op straffe des van alles en nog wat, tot verhitting
toe, passief welgevallen. Als aanloop tot de sessie - sms’jes om een afspraak te arrangeren. Data en tijd zaaien urenlang verwarring. Bellen blijkt de oplossing. Net als vroeger een probaat middel iemand op afstand snel iets duidelijk te maken.

Het weer is prachtig die dinsdag 6 mei. Tot aan de terugreis toe. Op de Zuidring een regenbui die er, hoe kort ook, wezen mag. ‘Amsterdam huilt, omdat het mij weer moet missen,’ neurie ik met een Export van de Weduwe tussen de lippen. Nog voor de Schipholtunnel is bereikt straalt de zon en is de hemel strakblauw als een uitgerekte smurf.

Waarom dit verhaal?
Er moet mij iets van het hart. Die twee van Mrs. Einstein zijn zowaar de domsten niet. Cabaretesque, edoch gezellig zijn Saskia van Zutphen en Paulette Willemse stukken om hapjes van te nemen. Graag zelfs. Smekend kijken ze mij aan. De kleding die ze dragen. De gepoetste glazen tot de rand gevuld. Het
gesprek is Vuile Huichelaar III. Voel ik me aangesproken? Paulette en Saskia: ik wil ze nooit meer vervangen. Het grootste probleem is dus: hoe raak ik ze nooit meer kwijt? Je kunt er zeker van zijn, dat als de glazen zijn geleegd, ook aan dit moment een eind zal komen.
Dan ontwaar ik kippenvel op mijn ontblote armen. Warme adem golft aan twee kanten in de schelp van mijn oor. Mijn hoofd gevangen tussen twee wraaklustige Kleinkunstvarianten? Ik zweet. Zij likken. Dat zit gelukkig goed. Opgelucht haal ik adem.

Is het seksistisch om zo over die massaselfie te schrijven? Dat vraag ik me af, in de eerste plaats omdat ik ze beiden als vriendinnen houden wil. Raak ik er, gezien mijn spraak duidelijk trillend, opgewonden van (onder tafel is uit zicht) of aangedaan, wat minder aanstootgevend is. Aangedaan is voor tweeërlei uitleg vatbaar. Je kunt zeggen: ‘Wat heb je me aangedaan?’ Of: ‘Kijk hij huilt, hij is aangedaan!’ Ik denk dat ik niet eerder zo van slag ben geraakt als door de attenties van dit vrolijk kritisch stel. Maar misschien heb ik nog nooit wat meegemaakt. Ik voel van alles. Het best
samen te vatten tot: EUFORIE!

Dan de klik van voor ons neus. Weer een stukje geschiedenis vastgelegd. Saskia klooit wat met haar knoppen en als ik thuiskom is daar die zalig vage plaat. Afbeelding van een tijdelijk leven. Een momentum zoals er nimmer is geweest. Als man een fijn moment.
De vrouwen lachen ook. Maar zie ik iets vileins? Is dat daar niet een bezemloze heks? Samen met Cruella die mijn huid taxeert? Of Jeanne d’Arc die zonder haardhout zit! Maar nee. Ik word weer en liefdevol gekust. Ik vind ze lief. Saskia en Paulette. Die Vuile Huichelaars!

 

 Selfie

Door Peter Joore

Een selfie is een gefotografeerd zelfportret, doorgaans gemaakt met een digitale camera, een smartphone of webcam, waarbij de foto is genomen door de persoon die erop afgebeeld staat. Een van de typische kenmerken is dan ook dat op de foto te zien is dat de persoon die is afgebeeld de camera vasthoudt. Het gebruik is bijzonder populair bij jongeren. Tot zover Wikipedia.

Afgelopen winter was ik als reizend journalist in Amsterdam. Ik had een drievoudige afspraak met een dichter, een schilderes en een kleinkunstzangeres. Dit alles in het onder lezers van De Vlaardinger
populaire Café Helmers. De dichter was ‘Voetbalknieën’ expert annex Paradiso portier, miljonair, schilderijenvervalser en Mecano drummer Ton Lebbink. De rijzige en schilderachtige schilderes luisterde als een hedendaagse Amazone – maar dan met twee ampele borsten - niet altijd even strikt naar de steeds zwoeler klinkende naam Petra Verboeket.

Maar het gaat om nummer drie: Saskia van Zutphen. Deze zingende comédienne, die in de laat jaren ‘90 met Mrs. Einstein een roemloze 22e plek wist te bemachtigen tijdens het Eurovisie Songfestival, was er om gezellig koutent een interview los te peuteren van haar toenmalige show Vuile Huichelaar 3. En zo de Stadsgehoorzaal tot in de laatste naadjes te vullen.

Vanwege een misverstand ontbrak Ton Lebbink. Visueel voor mij de minst belangrijke. Petra en Saskia maakten - als twee vriendinnen die elkaar lang niet hebben gesproken - mijn aanwezigheid stevig beppend geheel overbodig. Ik zat met pen en papier en noteerde de ene holle kreet na de andere. Eerst beweerde Petra dat roze maandverband goed was voor je seksleven. Daarop repliceerde Saskia dat het voor de spiegel ’s ochtends verrekte rot wakker worden was: ‘Je schrikt je met het jaar meer een hartverzakking.’

Na verloop van ondanks alles een prettig omgevlogen tijd stapte Petra, die samen met Bennie Jolink decorstukken schilderde voor dialectband Normaal, de verse sneeuw in. Op weg naar huis en atelier. Ik bleef achter met Saskia die de kans te baat nam en zich zalig tegen mij aan schurkte alsof ik haar favoriete beer was en zij een klein meisje. We kletsten dat het een aard had. Herhalend thema was de vanwege leeftijd figuurlijk inkakkende vrouw en haar slinkende kansen op enige partnermarkt.
Gaf ik haar gelijk, dan kreeg ik de wind van voren. Dan noemde ze mij een willoos, meningloos van
creatuur. Eentje die er bovendien verrekte weinig aan deed vrouwen op leeftijd een warm hart
onder de nog altijd hunkerende riem te steken. Roeide ik daarentegen manmoedig tegen haar
stroom manonvriendelijke argumenten in, dan was ik een 1.90 meter lange gemene vrouwvijandige zak zaaddodend glijmiddel van de hoogste orde.

Verder begrepen we elkaar prima. We schepten een hoop lol in het genadeloos in elkaars zielenroerselen
peuren. Ongeveer met hetzelfde koele geweld als een Inuit vlak voor de invallende winter haastig nog een laatste een wak hakt. Dan met grove haak zeehonden en vissen de kant opsleept, ze neer knuppelt en ze later als wintermaal verorbert.

Ter illustratie van onze doorleefde koppen en – meer nog – bezegeling van deze tedere en ontluikende vriendschap verzon Saskia terplekke de ‘selfie’. Een inmiddels door DWDD verketterd woord van het voorbije jaar.

Het resultaat als fotogeniek duo mag er nog altijd zijn. Voordeel is dat we geen van twee ooit ouder worden dan op die ene plaat.

 

Mijn rol als Joke Bruijs: ‘Alles Went,
Behalve Gerard Cox’

Door Peter Joore

Na enige decennia met Joke - zowel thuis zwetend tussen de lakens, buiten spelend op planken als de dagelijkse buis – Bruijs lijkt Gerard Cox, goedmoedig kwinkslagen uitdelend, vervaarlijk brommend als Barend de Beer, in dichtere jeneverroezen verkerend dan Bacchus als Rotterdamse god van gevaarlijke spiritualiën het ooit had bedoeld, en verbaal korter
af dan het vlezige lontje van Willem-Alexander, van plan zich in alle stilte uit nog altijd fel brandende schijnwerpers van successeries als Toen Was Geluk Heel Gewoon (TWGHG), definitief in het huiselijke terug te trekken onder eigen oksel. Met mijn hoofd nochtans bijkans in zijn basdrum.

als Cox bij toeval een jenever promotende journalist met lang haar ontmoet, die het goed voor heeft met zowel de bouwstoffen als de gekmakende inhoud van dit doorzichtig historische goedje en die toevalligerwijs op vrijwel geheel vrijwillige basis een schier prominente rol speelt in zijn eind maart 2014 in première te verschijnen nieuwe speelfilm TWGHG met megaverwachting, groeit bij hem – sneller dan een bonenstaak – het edele besef dat Joke Bruijs nu definitief haar biezen pakken kan.


‘Geen Haarlemmerdijkjes,’ mompelt de schalks ogende éminence grise als in zijn fameuze dagen met Frans Halsema genietend achter een Corenwyn bij Kaat Mossel in Rotterdam. En hij begint ondergetekende het hof te maken door een klinkend interview weg te geven alsof het allemaal niet al voor de tachtigste keer is dat hij dit verhaal uit de doeken doet. Drankjes schieten over en weer en hij zorgt ervoor, dat zijn beschouwingen en wensenpakket helder blijven als de vloeistof in zijn kleine, maar o zo fijne, borrelglas. Hij negeert de ober, die hem souffleert toch vooral niet vreemd te gaan en Joke te koesteren als was ze nog jong en strak als toen. Zijn hoofd staat op springen.

Hij schenkt zijn nieuwe cd. Nou, nog eentje dan en mij bekruipt een zondags gevoel dat ik voor het laatst na een aflevering van NAR moet hebben gehad. Gerard Cox betuigt ter plekke zijn liefde voor het fijne toneelstuk dat overal is uitverkocht. Enthousiast als een jeune premier tijdens zijn maiden speech. Hij knielt zonder kraken als ik weiger Joke te passeren enkel en alleen voor een plekje op toneel. Hoe kan ik, man die ik ben, ten overstaan van zoveel bezoekers en geliefd publiek, ongeacht in welk theater, aan zijn losgeslagen verlangens voldoen? Terwijl ik liever een potje schrijf!

Zoals Nederland van Gerard Cox gewend is, omfloerst de jenever zijn gebroken stem, ik zie een brok in zijn wanhopig slikkende keel op en neer gaan als de lift van de Euromast op een feestelijke dag. De situatie werd gênant. Ik zocht een uitweg. Zeker geen vrouwenrol op de planken in een groot gebouw met roodbeklede stoelen en een nationaal figuur. Ik was bezig met mijn leven en wilde snel vooruit. Maar om nu zomaar
met alles en iedereen klakkeloos in zee te gaan ... Dat ging me net ietsje te ver.
De oplossing bood zich gratis aan toen ik even was gaan plassen. “Urineren,” heette dat in zekere Rotterdamse kringen. Maar zeker niet bij Kaat Mossel. Mijn fotograaf van dat moment, Tino Snelleman, opperde aan het vleesgeworden alter ego van Jaap Kooiman tussen twee nippen door: ‘Waarom maak je er geen poster
van? Van die wens van jouw!’ En ik behield mijn zwaar gewenste publieke maagdelijkheid daar waar Kaat haar mossel lag.

 

Herman Brusselmans neust verder

Door Peter Joore

Minder vaak in het nieuws, terwijl zijn tomeloze productie van twee romans per jaar onverminderd doorgaat,
probeerde ik enige tijd terug Meester Schrijver Herman Brusselmans met een gevoelige e-mail te paaien een gezamenlijke foto bijeen te poseren. Hij – de kwaaie en getergde schrijver met driekwart gevulde fles jajem – en ik – de recalcitrante Hollandse sterrenjager - eerbiedwaardig schuilend onder eigen oksel. Met mijn hoofd
nochtans bijkans in zijn basdrum.

HB reageerde eerst terughoudend op dit eenzijdigvoorgestelde doldrieste Noord-Belgische plan. Zei dat ik Uitgever Prometheus maar moest lastig vallen met dit gezever. En – hoewel gezegend met lange blonde manen – mocht ik geenszins in de schaduw staan van deze Vlaamse Oppergod der Verdwaalde Letteren. We – fotografe Jasha Garritsen en ik – reden buiten van Vlaardingen naar Vlaanderen. Van Gif naar Gent.

De maand april en de kans op vastvriezen nihil, besloten we de ruim ingecalculeerde wachttijd te doden op een nabij gelegen marktplein in de moedige voorjaarszon. Ons enthousiasme zakte iets in. Dit ten koste van enige boze zenuwprikkels: Hij zal ons toch niet buitensluiten?’ Of: ‘Wat vindt ons Herman van Dutroux?’ De laatste die ons bijstond: ‘Hij kan het gewoon vergeten zijn!’ stond ons ook niet aan.

Wij klopten aan de bel van zijn loft aldaar ter stede. De naam van een vrouwspersoon gaf Jasha rimpels op haar verder vrolijk hoofd. ‘Dat is zijn Ex-vrouw (2009),’ wist ik als zelfbenoemd pseudokenner van zijn inmiddels onmetelijk omvangrijk oeuvre. ‘Na: Ex-schrijver (1991), Ex-minnaar (1993) en Ex-drummer (1994) zijn mogelijk vierde boek in deze aanstekelijke reeks waarvan er op dat moment juist een verfilmd was.

Na verloop van de nodige verbale flauwekul en een moedig intermezzo van hond Eddie, die HB niet zelden driemaal daags met geestige windjes verplicht hem vast en vloeibaar te ontlasten, kwam het tot een poseren dat het een aard had. Herman, komisch van spraak doch verder geen lolbroek van stavast, hield de driekwart gevulde fles op alle en nog meer manieren vast, dat de kleine Lhasa Apso er zowaar nerveus pisserige rondjes van draaide. De druppels bereikten niet zelden de grenzen van het oorspronkelijk keurig
gesausde loft op één hoog aan de Leie. Niemand die er om maalde. Wij dansten ons een vreugdehernia en Herman eenmaal van onder de bank opgeraapt, werd het tijd voor een sigaret. Ik draaide licht bibberend van juist genoten extase een Vochtige van de Weduwe.

Deze briljante maagd van het zware apenhaarsmaakte opperbest. Herman stak zijn sigaret aan en verbaal van wal. De gasten waren er toch dus waarom niet het verplichte uur op genoeglijke wijze te vervolmaken! Herman sprak van zijn aanvankelijke aversie jegens het door mij aangedragen en meegesjouwde onderwerp. Hij bekende al ruim tien jaar geen drup meer te hebben geconsumeerd. Roken deed hij nog wel ja. Volop. Dat was nu nog, na een periode van als Guggenheimer woest te hebben
rondgeneusd en smakelijke Guggenheimers, Miljaardedzju’s en Princes te hebben weggekapt, zo goed als zijn enige hobby naast het planmatig schrijven van zeker twee romans per jaar. Na dertien sigaretten in een dozijn kreeg hij er slag van mij met een daverende klap op het naïeve hoofd, tijdelijk achter het muurstuc in te metselen. Jasha werd op de bank en de vélocipède duidelijk hoorbaar driemaal geneusd. Het deed haar zeker goed, want op de terugreis week de glimlach als bij een Mona Lisa geen moment
meer van haar blije hoofd

BABE!

Door Peter Joore

Een afspraak. Zo kwam het dat ik op woensdag 6 maart 2013 stopte bij een studio in Godbetert Almere om de zangeres en de gitarist te interviewen: literair eufemisme voor
uithoren. Zij - Marga Bult - was zangeres bij Babe. Ze zag er nog altijd uit als dat meisje van tv waar ik
vroeger hunkerend naar luisterde, maar vooral naar keek. Ze had een strakke broek en een topje dat moest verhullen dat haar boezem minder ampel was dan gedacht. Hij – Dany Lademacher – was bekend van Herman Brood en schreef Saturday Night. Een hit die het nog altijd goed doet.

Het verhaal over de nieuwe show was er een van hoera en jolijt. Zoals wel vaker als een nieuwe en vrij curieuze samenwerking moest worden uitgelegd. Reclame doet grenzen vervagen. We zaten aan een ronde keukentafel zodat we elkaar goed konden zien. Observeren. Daar hield ik van. En niet alleen omdat ogen de eeuwige spiegel van de ziel vertegenwoordigen. Het ging mij om Marga zelf. Die nog altijd de Babe speelde. De Babe uitstraalde. De Babe gewoon was.

In een vlaag van bodemloze humor had ik in het verkeer op de heenweg verzonnen dat ik het verhaal zou openen met: ‘Ik had een vraaggesprek met de helft van een kameel. Ze was helaas nogal aan de maat. Maar dat kwam doordat ze veel vocht vasthield.’ Maar niets van dat alles. Marga voldeed nog altijd aan mijn wildste natte jongensdromen. En nu zat ik er eindelijk eens middenin. Of beter: recht tegenover.
Mijn vragen ontsprongen vast niet de geijkte serie, die in deze periode van promotie de achtkoppige
karavaan in welhaast ieder gesprek ter tafel kwam. Maar of die tafel telkens evenzo prettig rond was, dat vroeg ik mij glimlachend af. Ik zat goed en de twee monologen met af en toe een tweegesprek vulden mijn schrijfblok met slordige letters op gelinieerd papier. Dat verhaal kwam er zeker. En tevreden zouden
ze zijn.

Het kostte mij moeite Dany evenveel aandacht te geven als ik Marga deed. Ik had hem trouwens al vaker tegenover mij gehad. En niet geheel toevallig tweemaal in Café de Waal. Hun verhaal van duizend woorden kreeg gestalte in mijn hoofd. De te lezen versie zou geen moeite zijn. Dit was – gelukkig – duivels andere koek dan politiek. Niks geen gekonkel en gedraai. Louter pret en schalkse stories vulden mijn gemoed. Na de laatste en definitieve punt een klein cameramoment. Niet vaak kwalitatief het sterkste
onderdeel van mijn bijeenkomsten met deze of gene. Maar immer gevuld met emotie en eerlijkheid. Omdat ik, als bewijsstuk A van mijn aanwezigheid, graag een prentje heb met de bekende gast tegenover mij, moet een ander dan maar even aan de slag. De prent werd er een van verder dromen. Met Dany aan mijn rechterzijde en Marga hunkerend geleund ter linkerkant. Ik dacht aan de ultieme Saturday Night, waarin ik Dany wist te lozen en met Marga samen Babe nadeed.

In mijn haar met haar tong

Door Peter Joore

Er was weer een jaarwisseling die ik niet onder ogen durfde komen. Weer een nieuw jaar zonder dat ik een statement wist te verzinnen als: Stoppen met roken.
Of: Nooit meer flirten met een ander dan je eigen vrouw? Ik scheurde een velletje gelinieerd papier uit het bijna vol gekriebelde kladblok en besloot met pen mezelf een duw te geven een zekere richting uit.

Voor ik begon te schrijven zocht en vond ik een fles Laphroaig en een curieus gegraveerd glaasje op gedraaide voet, maar de echte motivatie liet nog even – een halve fles om precies te zijn – op zich wachten. Teleurgesteld nam ik er een ijskoude Jupiler bij en begon een eerste zin: ‘Waarschijnlijk, lieve vrouwelijke klant, lees je deze tekst in de rumoerige warmte van dit café, omdat het buiten takkenweer is en veel te koud. Mogelijk ben je bang dat dit weer een intrigerend verhaaltje is dat de jolige uitgelatenheid van je vrije avond verziekt en erop gericht je gezelligheid verplicht te delen met deze starre woorden of liefst de bedenker ervan.

Haal gerust opgelucht adem. In niets is dit zo’n geschrift. Ik houd van je om wie je over het algemeen bent, de rijkdom van je woorden, niet vanwege de armoede van je overdadig drinkgedrag. Ik ben niet die jongen die jou wil versieren omdat je inkomen zo ruim is als je opvattingen en waarvan je in geen eeuw kunt raden wie ik werkelijk ben; zo’n mysterie zal ik niet voor je zijn. Ik ben anders dan alle andere mannen die je eens hebt ontmoet of zult tegenkomen. Als je over een gezonde dosis geduld en geestelijke inventiviteit beschikt om deze column goed tot je door te laten dringen, liefst met dezelfde aandacht als waarmee ik hem heb geschreven, zul je begrijpen wat ik je zeggen wil.’

Zweet parelde nu op mijn voorhoofd, een lichte vorm van paniek – of was het dronkenschap? – maakt zich van mij meester. De whisky stond op het punt duistere verbindingen aan te gaan met Jupiler. ‘Deze woorden afkomstig uit mijn hart, zijn bedoeld om jou te leren kennen.’ Nu nog een eind aan deze onzin. Ik herhaalde, in gedachten mompelend, mijn eigen woorden. Bang iets te hebben geschreven waardoor ik juist jou nooit zou tegenkomen of de zin van dit verhaal je zou ontgaan. Even nog. Om je er beter van te doordringen wat ik eigenlijk zeggen wil? Ik peins en neem nog een slokje Laphroaig. De Jupiler is op. ‘Misschien herinnert deze tekst je aan het feit dat het leven beter kan. Dat je jezelf niet moet afsnijden van wat werkelijk belangrijk is. Dat deze woorden je wakker schudden, misschien zelfs bedreigend zijn voor de duidelijkheid van de dagelijkse gevangenis waarin je opgesloten zit. Vooral als je niet weet, dat je
relatie zoveel beter kan.’

Mijn zwevende lichte dronkenschap maakte plaats voor jolige verwondering. Met welk lef schreef ik dit aanmatigende stuk? Durfde ik mij te mengen in wat anderen als hun privé beschouwen? Om vrouwen te vertellen bij wie ze beter konden zijn, door hun relatie te verbreken maakte ik mij vast niet populair. Of belachelijk. Het idee alleen al; dat ik vrouwen kon veranderen, enkel door mijn zielenroerselen met ze te delen op de publieke pagina van de menukaart van dit café.

In mijn haar met haar tong

Door Peter Joore

Ik was onlangs in Siddeburen (Gr) bij een optreden van Normaal. Gewoon als chauffeur van stadgenoot Jan de Ligt, die daar sinds 2003 de sax leegblaast. Dat gebeurt wel vaker en je komt regelmatig op noordoostelijke plekken waar je het bestaan niet van weet. Dat scherpt de geografische geest zonder TomTom en als het niet al donker is geniet je van soms eeuwenoude noviteiten. Maar daar gaat dit verhaal niet over. Het gaat over voorman Bennie Jolink. Die nors ogende, zingende, maar altijd olijke motorboer. De man die vindt dat – vanuit het oosten bezien – de wereld ophoudt bij de lijn halfweg Afsluitdijk, Utrecht, Breda. Westelijker gelegen gebied mag van hem met een grote spade zo de Noordzee in. Dat Jan de Ligt niet de enige westerling binnen het uitgebreide muziekgezelschap is, mag dan ook op zijn minst curieus heten. Vanuit Rotterdam is er Brabants toetsenist Roel Spanjers. Die ook boterhammen verdient bij Popgoeroe Leo Blokhuis. Uit België schuiven twee jonge, talentvolle blazers regelmatig het podium op. Bennie Jolink lijkt zijn grenzen te verruimen.

Maar niets is zoals het lijkt. Zo bracht Normaal afgelopen september een cd (Halve Soul helemoal Høken uit met in het boekje een schilderij van Bennie’s hand. Met grove penseelstreken geeft hij openlijk uiting aan trialisme, die bij anderen vaak verborgen blijft. Tenzij na enige liters Grolsch. Op dit schilderij de koppen van discutabele heren als A. Hitler, G. Wilders en A. Breivik. Een schok voor velen. Maar niet voor Bennie. Die houdt zijn mening niet graag voor zichzelf. Hij deelt in deze graag. En hoewel backstage – een niet ongevaarlijke plek met soms 5.000 biernatte T-shirt en bh werpende jongeren – de woorden goed zijn te verstaan, mis ik ook na een optreden of acht nog steeds hele lappen tekst. Zeker als het niet over Bertus op zien Norton en Tinus op de BSA gaat. Dat is jammer. Heel jammer. Want of je nu in een winters Siddeburen (Sibboern) bent of een tropisch Dalfsen, het blijft een genot alle boeren van kruin tot likdoorn uit de stekker te zien gaan. Bennie mag best een keer zijn tekst vergeten. De zaal brult hem wel toe. En draait hij eens een coupletje om, dan draait de zaal gezellig met hem mee. Bennie is Koning. Oostelijk van die hierboven beschreven denkbeeldig getrokken noord zuid lijn althans.

Voor een keer drink ik lachend Grolsch. Helaas doen Bennie en Normaal zichzelf tekort. Bennie onthoudt de rest van Nederland een muzikaal verzetje dat positieve energie in koppies pleurt. Mensen – veelal opgeschoten jongelui – gaan met veel kabaal net na twaalven, als het gezamenlijk Wilhelmus heeft geklonken, met onbloot bovenlijf lachend de vrieskou in. Steken misschien een strobaaltje in de fik. Maar oom agent en de Normaal Sfeerbewaarders trappen die brandjes schaterend met de hardhouten klompen uit. Daar komt geen brandweer bij kijken.

Nu komt er een theatertour van Normaal. Misschien wel de laatste. Zorg daarom voor een ticket in het noorden en het oosten van het land. Je zult zien dat Bennie Jolink zingt waaraan heel Nederland denkt. Hij is de stem van ons vaderland. Jammer alleen dat we hem hier nooit kunnen verstaan.
En voor eenmaal drink ik een tweede beugelfles Grolsch en denk aan Normaal. Gewoon.
Normaal. Zoals het hoort. In alle talen.

In mijn haar met haar tong

Door Peter Joore

 

Ik zit aan tafel op het terras met Barbarella Zweetflap. Hopeloos baantjesjager in de excentrieke vriendenkring. Zij is voluptueus en juist gescheiden. Haar man, geëmigreerd naar Bhutan, wil daar monnik worden. Hij is het ruim voorradige vlees van zijn gade zat en overweegt op spirituele basis vegetariër te worden. Zij lijkt wanhopig en kijkt me smachtend aan. Ik kijk stoïcijns in mijn langzaam leger wordend kopje thee. Uiterlijk onaangedaan door haar op de rand van overspel balancerend liesverwarmend flirtverhaal. Gelardeerd met suggestieve manipulaties die een blind paard niet over het hoofd kan zien.

Als mijn kopje leeg is bestel ik Jupiler en een rosé voor haar. Ons gesprek is eenzijdig: een eenvrouwsconferentie met één enkele toehoorder. In mijn geest ontkleed ik haar woeste lijf met lillend vlees. Ik slik. De gedeelde kennissenkring was het uitgangspunt. Nu ben ik epicentrum van haar nieuw project, genaamd: ‘Man in bed.’ Wat vage vriendschap was, wordt nu een doldriest versierverhaal. Ik zit er mee in maag en broek.

Dan keert Barbarella Zweetzak op dringend verzoek van mij, terug naar de koele realiteit om te zien of ik daar minder onzeker van word. Plots steekt zij haar warme en vochtige tong in mijn rechteroor. Dwars tussen mijn ongewassen zweetmanen door. Ik reageer als een door Geert Wilders tot vriend bestempeld

Previous page: Ger van Veen  Volgende pagina: Olaf Blauw